De oorsprong van droge pasta moet waarschijnlijk worden gezocht in de Arabische wereld, vanuit de logische noodzaak om een lang houdbare voedselvoorraad te crëeren. Maar volgens legendes, geschriften en andere bronnen is pasta ontstaan in Italië en Noord-Afrika.
Tot er in het koninkrijk Napels in de zeventiende eeuw hongersnood uitbrak, stond pasta nooit op het dagelijks menu. Pas toen de mechanische pers was uitgevonden (In Napels bekende staand als Ngegno) werd pasta, dankzij zijn grote voedingswaarde, ontdekt als elementaire voedselbron. Door een mengsel van water en griesmeel van harde tarwe door een trekpers te persen kon op goedkope wijze pasta worden geproduceerd. Met name Napels en Gragnano bleken, dankzij een microklimaat met zon, wind en vochtige lucht, de ideale locatie voor de belangrijkste en moeilijkste fase bij het maken van pasta, namelijk het drogen.
In het Koninkrijk Napels at iedereen pasta, van straatjongens (ook wel “scugnizzi’ genoemd) tot de hogere standen. Maar het werd toen al door iedereen op verschillende manieren gekruid en bereid (uit die tijd stamt ook de uitdrukking “Mangiamaccheroni”-ofwel Napolitaanse macaroni eters). De geschiedenis leert dat de bewoners van het Koninkrijk Napels het meest hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de pastaproductie.
Zo ontwikkelde een ingenieur tijdens het bewind van Ferdinand I de “Bronzen Mannen”, een machine die het menselijke voetenwerk verving, om het deeg te kunnen kneden. Daarmee werd de basis gelegd voor de industriële bereiding van pasta. En werd Gragnano het centrum van de pastaproductie.
Gragnano, met zijn windmolens en natuurlijke zoet water bronnen heeft de perfecte bodemgesteldheid voor de ideale pasta mix. Dankzij een legendarische en mystieke reputatie op het gebied van pastaproductie, geaccentueerd door schilderachtige straten vol waslijnen met lange in de zon drogende spaghetti slierten en zonnige daken van korte stukken gedroogde pasta, groeide Gragnano uit tot de door dichters, schrijvers en historici bewierookte “stad van de pasta”. In de eerste helft van de 19e eeuw werd Gragnano herbouwd in de richting van de wind. Een vernieuwing die Gragnano in een gigantisch grote windmachine veranderde, ideaal dus voor de productie van pasta.
Net als de streek zelf, is de bevolking van Gragnano opgegroeid en meegegroeid met de pastaproductie. De “impastatore en impastapasta” van vroeger ((chef en assistent, verantwoordelijk voor alle productiestadia) of “Gramulista” (verantwoordelijk voor de gramula), of wie de pers vulden (“Serrapressa”), of de pasta op de juiste deegmaat legden (Spanditore) of de mannen die met z’n tweeën tegelijk 10 staven droegen, 4 op elke hand en 1 op elke schouder (Aizacanne), zijn vervangen door ingenieurs, geschoolde werknemers en general managers. Maar hun mimiek en gebarentaal weerspiegelt nog steeds de toewijding van de “Deputato” die samen met de “Impastatore” het “drogen van de pasta” proces controleerde en het vakmanschap van de “Tiracanna” en “Sfilatore” die de droge pasta uit de machine haalden en er bundels van 5 kilo van maakten.
Het geduld, vakmanschap en nauwgezette controle om te zien of de pasta nog “nzellusa” (nat) is of “bona e man” (gereed) heeft bijgedragen aan een pastaproduct met de smaak en structuur van 500 jaar ervaring.